Ze nam duizelingen waar toen hij zich plots uit haar ogen losrukte en haar aan haar hand meetrok.
'Kom mee', fluisterde hij, met een geheimzinnige twinkeling in zijn ogen. Ze deden de takken onder hun voeten kraken en na een paar minuten begon hij te rennen. Nauwelijks kon ze hem bijhouden. 'Wacht nou toch!' Riep ze lachend, terwijl ze haar hoofd schudde om zijn inzet. Waar zou hij haar toch naartoe nemen?
Ze zag hem halt houden bij de ingang van een nieuwe straat. Haar adem maakte witte wolkjes terwijl ze rustig de afstand tussen hem en haar deed verkleinen. Haar schoenen tikten op het donkere asfalt en even versnelde ze haar pas, om dan in een rondje te draaien, haar zelfgemaakte jurk –van een oude stof van oma – te laten opvliegen en om daarna lachend voor zijn voeten te eindigen.'Wat is dat nu met jou', zei ze, terwijl ze liefdevol over zijn haren streek, een beetje hijgend van de kleine inspanning van daarnet. Hij lachte naar haar, glunderde, keek eindeloos in haar hazelnootogen. 'Kijk', zei hij uiteindelijk. Als een onrustig dier begon hij te huppelen en zwaar te hijgen. 'Kijk, zie je dat?'
Hij wees naar de lege weg die voor hen lag. Langs de zijkanten stonden auto's geparkeerd, en op het getsjirp van een paar vogels na was er geen geluidje waar te nemen. Eén enkele merel deed, als je goed luisterde toch, een twijgje breken door er vrolijk met zijn pootjes over te huppen. Asfalt. Geen bloemen, peinsde ze, enkel wat verlaten madeliefjes die gezwicht waren onder het gewicht van een wagen. Wanhopig keek ze, vergde ze alles van haarzelf om te kunnen “zien”. Ze keek recht in de zon, die links van de weg stond te schijnen, ze volgde de witte strepen, die hier en daar onderbroken werden door een bruuske remstreep, van de baan. 'Ik zie niks', zei ze beschaamd. 'Wat wil je dat ik zie?'
Hij liet zijn rechterhand in haar linkerhand vallen en verstrengelde zijn vingers met de hare. 'Zie je de lijnen? De lijnen van de weg? De lijnen, die je in de verte ziet samensmelten?'
Ze keek beduusd naar wat hij beschreef en jawel, ze zag de twee lijnen eindigen in hun vluchtpunt. Prachtig om te zien, mijmerde ze in zichzelf.
'Jij', zei hij, 'jij bent de lijn links, ik ben de lijn rechts. Beiden leidden we ons eigen leven, hadden we onze eigen interesses en dromen. Maar naar gelang van tijd en liefde groeiden we zo naar elkaar toe. Zie je dat? Na elke meter zijn we alweer een paar centimeters naderbij elkaar. Dat vluchtpunt, dat zijn wij. En dat gaat door tot in de eeuwigheid. Wij zijn aan elkaar vergroeid, meisje.' Zijn linkermondhoek trok en een scheve glimlach werd op zijn jongemansgezicht getoverd. Haar jongensgezicht, wist ze.
Hij wreef met zijn duim over haar wijsvinger terwijl hij zachtjes zijn lippen op haar kruin drukte. Elke sierlijke beweging dat hij maakte veroorzaakte sprongetjes binnenin haar buik, als honderden kleine engeltjes die trampoline springen.'Wat denk jij toch te veel over dingen na', zei ze hem. Diep vanbinnen voelde ze de enige weerstand die ze nog leek te hebben wegsmelten onder de warmte van de zon en de liefde van zijn ziel. Ze liet zich in zijn armen vallen en liet hem pas tot ver na zonsondergang los.
'Kom mee', fluisterde hij, met een geheimzinnige twinkeling in zijn ogen. Ze deden de takken onder hun voeten kraken en na een paar minuten begon hij te rennen. Nauwelijks kon ze hem bijhouden. 'Wacht nou toch!' Riep ze lachend, terwijl ze haar hoofd schudde om zijn inzet. Waar zou hij haar toch naartoe nemen?
Ze zag hem halt houden bij de ingang van een nieuwe straat. Haar adem maakte witte wolkjes terwijl ze rustig de afstand tussen hem en haar deed verkleinen. Haar schoenen tikten op het donkere asfalt en even versnelde ze haar pas, om dan in een rondje te draaien, haar zelfgemaakte jurk –van een oude stof van oma – te laten opvliegen en om daarna lachend voor zijn voeten te eindigen.'Wat is dat nu met jou', zei ze, terwijl ze liefdevol over zijn haren streek, een beetje hijgend van de kleine inspanning van daarnet. Hij lachte naar haar, glunderde, keek eindeloos in haar hazelnootogen. 'Kijk', zei hij uiteindelijk. Als een onrustig dier begon hij te huppelen en zwaar te hijgen. 'Kijk, zie je dat?'
Hij wees naar de lege weg die voor hen lag. Langs de zijkanten stonden auto's geparkeerd, en op het getsjirp van een paar vogels na was er geen geluidje waar te nemen. Eén enkele merel deed, als je goed luisterde toch, een twijgje breken door er vrolijk met zijn pootjes over te huppen. Asfalt. Geen bloemen, peinsde ze, enkel wat verlaten madeliefjes die gezwicht waren onder het gewicht van een wagen. Wanhopig keek ze, vergde ze alles van haarzelf om te kunnen “zien”. Ze keek recht in de zon, die links van de weg stond te schijnen, ze volgde de witte strepen, die hier en daar onderbroken werden door een bruuske remstreep, van de baan. 'Ik zie niks', zei ze beschaamd. 'Wat wil je dat ik zie?'
Hij liet zijn rechterhand in haar linkerhand vallen en verstrengelde zijn vingers met de hare. 'Zie je de lijnen? De lijnen van de weg? De lijnen, die je in de verte ziet samensmelten?'
Ze keek beduusd naar wat hij beschreef en jawel, ze zag de twee lijnen eindigen in hun vluchtpunt. Prachtig om te zien, mijmerde ze in zichzelf.
'Jij', zei hij, 'jij bent de lijn links, ik ben de lijn rechts. Beiden leidden we ons eigen leven, hadden we onze eigen interesses en dromen. Maar naar gelang van tijd en liefde groeiden we zo naar elkaar toe. Zie je dat? Na elke meter zijn we alweer een paar centimeters naderbij elkaar. Dat vluchtpunt, dat zijn wij. En dat gaat door tot in de eeuwigheid. Wij zijn aan elkaar vergroeid, meisje.' Zijn linkermondhoek trok en een scheve glimlach werd op zijn jongemansgezicht getoverd. Haar jongensgezicht, wist ze.
Hij wreef met zijn duim over haar wijsvinger terwijl hij zachtjes zijn lippen op haar kruin drukte. Elke sierlijke beweging dat hij maakte veroorzaakte sprongetjes binnenin haar buik, als honderden kleine engeltjes die trampoline springen.'Wat denk jij toch te veel over dingen na', zei ze hem. Diep vanbinnen voelde ze de enige weerstand die ze nog leek te hebben wegsmelten onder de warmte van de zon en de liefde van zijn ziel. Ze liet zich in zijn armen vallen en liet hem pas tot ver na zonsondergang los.



